conz  
 

CONZ

Tien jaar Oogachtend wil ook zeggen 10 jaar Conz of meer bepaald 10 jaar Conz de stripmaker. Zijn persoonlijke ontwikkeling als stripauteur loopt immers parallel met die van de uitgeverij die hij al tien jaar trouw is. Een verbintenis die in nog niet zo lang vervlogen dagen een tinnen schotel waard zou zijn. Conz zette, net zoals zoveel van zijn generatiegenoten, zijn eerste stappen als striptekenaar in Ink. Het tijdschrift dat Johan Stuyck vooral opzette om ‘zijn’ leerlingen van Sint Lukas een forum te geven, om het talent dat hij in zijn klas onderkende kans te geven om te groeien.
Welhaast nostalgisch word ik ervan als ik nog eens door Ink 1 blader. Een interview met Johan en Seb, die toen heel hard aan de kar trok van Ink, was immers één van de eerste stukken die ik binnenbracht bij Gonzo Circus. Het interview in het Leuvense café Commerce vloeide al snel over in een kennismaking met andere ‘Inkers’, voor zover ik die al niet kende. En daar hoorde natuurlijk ook Constantijn bij. Met mijn bescheiden talenten als pennenlikker of inktkoelie zo u wil, werd ik door hem gerekruteerd om een interview dat hij had gedaan met Johan De Moor, uit te werken voor het tweede nummer van Ink.
De beslissing om ‘ja’ te zeggen op zijn vraag leidde ertoe at ik een nieuwe persoonlijke regel moest invoeren: werk nooit een interview uit dat je niet zelf hebt afgenomen. Het vraaggesprek was in typische Conz-stijl afgenomen. Er werd daar een eindje weggerateld, de uitdrukking ‘van de hak op de tak springen’ was zelfs niet meer adequaat om de inhoud van de tape te duiden. En toen hadden we kant twee nog niet gehoord: duidelijk te laat omgedraaid en waarbij de bulderlach van de interviewer de monologue intérieur van De Moor onderbrak. Collega GDW vond in zijn recensie in De Morgen toenertijd dat het interview in Ink 1 (door Conz zelf uitgewerkt) toch wel levendiger was. Mijn (laattijdige) excuses Geert, de totale chaos van dit interview op papier brengen ging mijn petje te boven.
De enige die zijn eigen chaos kan temmen is immers Conz zelf.
Wie terugkijkt op zijn eerste werk in Ink, ziet een zoekende jonge stripmaker. Op zoek niet alleen naar zijn eigen tekenstijl maar ook naar zijn eigen verteltechniek. Zijn eerste strips zijn welhaast aandoenlijk: het redactiestripje waarbij Johan Stuyck werd voorgesteld als een slavendrijver die zijn jonge bende uitbuitte was een referentie naar de traditionele stripbladen maar stelde inhoudelijk natuurlijk niet zoveel voor. Pas vanaf het derde nummer van Ink vond Conz zijn eigen stem, zijn autobiografische kortverhalen over zijn jeugdige avonturen samen met zijn vriendje Martin , in 2004 gebundeld (en herwerkt) in ‘Toen ik nog baas van de wereld was’, bewezen dat Constantijn qua verteltalent kon wedijveren met de besten in de Vlaamse scène op dat moment. Een gegeven dat hij tussen 2005 en 2007 verder hard maakte met zijn trilogie ‘De Tweede Kus’, een mooi menselijk verhaal dat bewijst dat Conz een rasverteller is die zijn lezerspubliek moeiteloos weet in te pakken.
Ondertussen is Conz een ‘householdname’ in Vlaanderen daar was vooral zijn deelname aan ‘De Slimste Mens ter Wereld’ debet aan net als zijn stadstekenaarschap van Turnhout. Wij kennen hem vooral als een gedreven stripmaker die er - opgepast cliché in zicht - al 10 jaar voor gaat. Van zijn toenmalige Ink-collega’s van het eerste uur, heeft het merendeel de handdoek in de ring gegooid en gekozen voor andere bezigheden, alleen Conz blijft stug volhouden en met onverdroten enthousiasme doen waar hij het beste in is: strips maken.

 

 
toeniknogbaasvandewereldwas
ringo
martha
hanne
tweedekusbundeling